fbpx

Arm Vlaanderen

Vlaanderen is een van de rijkste regio’s ter wereld. Maar is dit wel altijd zo geweest?

afbeelding-blogpost-3-2

‘Lion – Google Art Project’ door DcoetzeeBot.1

11 juli: het Feest van de Vlaamse Gemeenschap. Sinds 1973 wordt deze dag erkend als een Vlaamse feestdag. Voor de Vlaamse ambtenaren is het zelfs een verplichte verlofdag. Wij zijn (jammer genoeg?) geen Vlaamse ambtenaren en aangezien wij dus geen verlof kregen, hebben we maar besloten om van Vlaanderen het centrale thema van deze blog te maken. Er is genoeg armoede in een rijke regio zoals Vlaanderen: dat ondervinden wij elke dag. We gaan het echter deze keer niet hebben over de armoede die nog steeds in Vlaanderen heerst, maar over de grote armoede die de regio nog niet zo lang geleden gekend heeft.

We gaan terug naar de negentiende eeuw. De industriële revolutie is volop aan de gang. België, en dan voornamelijk Wallonië, rijden mee op de trein richting modernisering. Ook het Vlaamse Gent pikte zijn graantje mee. Maat wat met de rest van Vlaanderen? Wel, zij misten de moderniseringstrein volledig. Karel Van Isacker omschrijft in zijn boek ‘Mijn land in de kering’ waarom dit geval was:

In het overbevolkte platteland kenden de meesten nooit weelde. Maar men kon overeind blijven door hard werk en door de bijverdienste van de huisindustrie, van de vlasbewerking vooral. (…) Tot in de jaren dertig bleef dit leven nagenoeg onberoerd. Toen kwam de crisis waarop niemand was berekend. Het begon met het Frans-Belgisch handelsverdrag van 5 juli 1836 dat ‘een catastrofe zonder weerga’ veroorzaakte: door de verlaging van de douanerechten kon de gemechaniseerde Engelse textielindustrie de Franse markt overspoelen met betere en goedkopere produkten. In vijf jaar tijd, van 1837 tot 1843, verminderde de uitvoer van Belgisch linnen naar Frankrijk met meer dan de helft. Bovendien werd vanaf de jaren dertig goedkoop vlas ingevoerd. Om uit de nood te geraken had men de vlasnijverheid moeten mechaniseren. Frankrijk deed het, maar België niet: de burgerij verzette zich hiertegen uit paternalistische motieven, en de plattelandsbevolking omdat zij instinctief vreesde dat de nieuwigheid haar traditiegedragen leven zou vernietigen. Het was een hopeloos verweer omdat de evolutie onafwendbaar in het teken stond van de technische welvaart.2

Dit was echter nog niet alles. Niet alleen sloeg de vlascrisis staalhard toe, ze werd tevens vergezeld van een landbouwcrisis. Koolzaad, tarwe, aardappelen en rogge: de jaren 1844-1846 betekenden een ernstig tekort in deze voor de bevolking cruciale gewassen. De gevolgen van deze landbouwcrisis laten zich raden: honger, dood en epidemieën. Tyfus teisterde Vlaanderen in de jaren 1847-1848. Cholera deed Vlaanderen aan in 1848-1849. Het platteland lag letterlijk plat van de ellende en het duurde dan ook niet lang alvorens mensen hun geluk gingen zoeken in de (grote) steden.

In de steden was het echter niet veel beter. Karel van Isacker legt uit:

Voor de stroom van ongeschoolden was er geen plaats in de armenwijken van de steden. Op deze woningnood bedreef de negentiende eeuw een aparte speculatie. Welgestelde burgers, middenstanders en zelfs arbeiders bouwden binnenplaatsjes, tuinen en braakliggende terreinen om tot ‘labyrinten van kleine, sombere huisjes’, door gangen afgesloten van de rest der stad. Het was een uitstekende geldbelegging, want de lage huur trok de arme bevolking aan: terreinen die tevoren niet rendeerden brachten nu vijftien tot achttien percent van het geïnvesteerde kapitaal op. In alle steden die met inwijkelingen hadden af te rekenen rezen de beluiken uit de grond. (…) De zeldzame foto’s van gangen tonen een totale wanhoop: met de ruggen tegen elkaar gebouwde tweekamerhuisjes kijken uit op de open riolen van een straatje; binnen zitten de mensen opeengepakt in de verwaarlozing van de spullenrommel, elk beschikkend over twee of drie kubieke meter.3

Deze ‘labyrinten van kleine, sombere huisjes’ staan ook bekend als beluiken. Het leven in deze beluiken was mensonterend en dodelijk. Een halve eeuw later illustreert August De Winne dit leven in zijn ‘Door arm Vlaanderen’ aan de hand van de casus Zele:

Wij bevinden ons voor het huis van een wever. De deur is enkel van een houten klink voorzien. Waarom sloten aangebracht? Zulks is goed voor rijke menschen! Wij treden binnen en ik zie rond.
Welke grievende ellende! In ieder der twee plaatsen, een strooien bed met versleten, vuile dekens, die bedekt zijn met het stof van het spinrad.
In het bed der achterplaats, naast het getouw, slapen twee kinderen; het jongste is slechts weinige weken oud. Ruiten ontbreken aan het eenige venster. Men heeft de openingen met baaldoek gestopt.In de voorplaats eene waggelende tafel, kreupele stoelen met gebroken pikkels of zonder rugleuning, eene oude kist, een houten kapstok waaraan eenige kleedingstukken hangen, emmers en pannen op den grond, en in de schouw een lange, Leuvensche kachel. Er is geen vuur, en buiten blaast een ijzige wind.
– Wij zouden u graag een oogenblik zien werken, zegde Beerblock.
– Komt binnen, mijne heeren, antwoordde de man zich het hoofd ontblootend.
Hij zette zich onmiddelijk voor zijn getouw, duwde met den voet op eene der treden en bracht de schietspoel in beweging. Naast hem zat een jong meisje van een twintigtal jaren te spinnen. Ziedaar Margareta aan het spinnewiel, schoon gelijk de beminde van Faust, met een lang, regelmatig aangezicht als dat der maagden van Memling. Maar hier was Margareta niet omgeven door de pracht van het tooneel; een armoedige omslagdoek bedekte hare magere borst, een bijtend stof ontsnapte aan haar spinrad en viel terug op hare blonde haren en op hare schouders. Faust zou ze in dit ellendig midden niet gezocht hebben.
– Hoeveel bedraagt uw gemiddeld weekloon? vraagde Beerblock aan den wever.
Het jonge meisje hield op met spinnen, de man legde zijn getouw stil en antwoordde, terwijl hij rechtstond:
– Dat hangt af, Mijnheer Beerblock. Wij werken op onderneming. Gemiddeld 9, 10, soms 12 tranken.
– Hebt gij vele kinderen gehad?
– Mijne vrouw is zes weken geleden van het eenen-twintigste bevallen! Maar slechts vijt zijn in leven gebleven.
– Hoe oud zijt gij?
– 52 jaren. Mijne vrouw is 42 jaren oud.
– Waar is uwe vrouw?
– Op de wegen. Zij is leurster. Hoe wilt gij dat wij zouden leven zonder dat?
(…)
Over eenige weken beviel eene weversvrouw. De werkman was dus beroofd van zijne spinster, en bijgevolg in de onmogelijkheid voort te werken. Het was nochtans het gepaste oogenblik niet om te verletten. Men moet toch eten! Wat te doen? Vier dagen na hare bevalling staat de spinster op en zet zich aan het rad! Maar, uitgeput van krachten na een uur werken, moet zij zich weder te bed leggen. Welaan, moed geschept! Zij zet zich opnieuw aan den arbeid; na nog een uur bovenmenschelijke pogingen, verliest zij het bewustzijn en moet men ze te bed brengen. Zij herbegon twee uren later! Deze foltering duurde verscheidene dagen!
(…)
Een weinig verder staat ons een aangrijpend schouwspel te wachten in een huis dat, gelijk al de anderen, uit twee plaatsen bestaat. In de voorplaats ligt een ouderling in een dezer ellendige beddens, gelijk ik er reeds zooveel zag. Hij hoest, en wanneer hij ons hoort binnentreden, richt hij zich pijnlijk op, op een zijner armen steunend. Hij bekijkt ons met bloed doortrokken oogen, die niet meer zien. Men spreekt hem aan, hij antwoordt niet en valt terug op zijne legerstede. De arme oude schijnt in doodstrijd te liggen.
In de achterplaats spint eene oude grijze vrouw, met stof bedekt. Zij verontschuldigt zich over de wanorde van haar huis, en zegt beschaamd te wezen ons aldus te moeten ontvangen.
– Hoe oud zijt gij, moedertje? vraagt Anseele.
– 75 jaren. Mijn echtgenoot is 78 jaren oud.
Zij begint zich te beklagen over haar man die te lang te bed blijft, de luiaard! Zou hij niet een weinig kunnen medewerken?4

De arbeiders werkten van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat in onmenselijke omstandigheden en dit vanaf hun kindertijd (ongeveer zes jaar oud) tot de (meestal vroegtijdige) dood. Waarom verdroegen de arbeiders deze omstandigheden? Het antwoord ligt hem in de heersende cultuur van die tijd. Er heerste immers een standenmaatschappij waarin de burgerij en de clerici overtuigd waren van het feit dat de positie die zij in de maatschappij bekleedden, verdiend hadden. In tegenstelling tot de arbeidende pauper waren zij immers bezorgd om de toekomst. Zij achtten de arbeider verantwoordelijk voor zijn eigen lot. Het was dan ook hun taak om de arbeider de weg te wijzen. Om deze taak te vervullen, gebruikten zij instrumenten zoals de armenzorg of het onderwijs. Deze instrumenten dienden echter om de arbeider zich in zijn lot te laten berusten, meer zelfs: deze standenmaatschappij te ondersteunen. Treffende voorbeelden van deze van jongs af aan onderwezen onderdanigheid vinden we bij Van Isacker terug:

In de zomer van 1930 sprak A. Dierckxsens met enkele patiënten uit het oudemannenhuis te Turnhout. Het ging ondermeer over het analfabetisme van de oude generatie Turnhoutenaars. Hoe kon het ook anders, vroegen de oudjes, vermits wij vanaf zes of zeven jaar naar de fabriek moesten. ‘Overigens hadden wij geen geleerdheid nodig. Gelijk de rijken het ons zegden, zo was het. Stonden wij, enige werklieden op straat te praten en zagen wij in de verte een koe aankomen, dan was die koe voor ons allen natuurlijk een koe. Maar kwam er toevallig een heer langs ons die zei dat het een geit was, dan was die koe voor ons allen een geit.’
(…)
Uit het archief van de Antwerpse Commissie van Openbare Onderstand heeft Rina Lis een tekst opgediept die hiervan een treffende illustratie is, het dankwoord van een volksjongen tot zijn weldoeners op de prijsuitdeling van 15 december 1859 in een Antwerpse armenschool: ‘Mijne Heren ! Wij zijn allen kinderen van schamele ouders geboren. Het zweet van onze vader, de zorgen van onze moeder zijn niet toereikend om onze honger te stillen, om ons het noodwendige te bezorgen. Het voedsel des lichaams hetwelk ons door uwe edelmoedigheid wordt toegereikt, bepaalt hier niet alleen; maar het voedsel des geestes, hetwelk de meer vermogende zich uit zijn eigen schatten ruimschoots bezorgt en hetwelk de mens van de dieren onderscheiden kan, ware ons immer ontzegd indien uwe weldoende hand ons niet uwe bescherming toereikte met ons een stelselmatig onderwijs te bezorgen. De grenzen uwer weldaden tot ons eindeloos willende maken, wilt gij uwe edelmoedigheid niet alleen bij het toereiken van voedsel en het geven van onderwijs bepalen; neen, gij komt onze vlijt en kunde nog telken jare met schitterende prijzen belonen en eist daarvoor slechts dat wij alle pogingen aanwenden om kundige en deugdzame mensen te worden. Wij gevoelen, mijne Heren, de belangrijkheid der weldaden welke ons uitgestrooid worden. Wij gevoelen de verplichting die op ons rust en leren in de school ons nu reeds jegens onze onderwijzer gedragen, gelijk wij ons eens, wanneer wij leden van het maatschappelijk huishouden zullen zijn, jegens U en onze overige stadsgenoten zullen te gedragen hebben.’5

Het zal de opkomst van de vakbonden en het socialisme zijn die een einde stelt aan deze wantoestanden en deze cultuur. Voor Vlaanderen zou dit nog duren tot het begin van de 20ste eeuw.

– Lorenzo Goossens, vrijwilliger ATK


  1. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Sir_Peter_Paul_Rubens_-_Lion_-_Google_Art_Project.jpg
  2. Van Isacker, K. (1978). Mijn land in de kering. 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld 1830-1914. Amsterdam: Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel. Te vinden op: http://www.dbnl.org/tekst/isac002mijn01_01/
  3. Ibid.
  4. De Winne, A. (1903). Door arm Vlaanderen. Gent: Samenwerkende Volksdrukkerij. Te vinden op: http://www.dbnl.org/tekst/winn006door01_01/
  5. Van Isacker, K. (1978). Mijn land in de kering. 1830-1980. Deel 1: Een ouderwetse wereld 1830-1914. Amsterdam: Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel. Te vinden op: http://www.dbnl.org/tekst/isac002mijn01_01/
Share on facebook
Deel op Facebook
Share on twitter
Deel op Twitter
Share on linkedin
Deel op Linkdin
Share on whatsapp
Deel op Whatsapp

Gelukkig zijn er mensen zoals u

Naar een samenleving zonder kansarmoede

Met één klik. Tussen twee mensen.

Kansrijke en kansarme stadsgenoten met elkaar verbinden. Dat is de essentie van onze werking. Ze gaan samen op stap en worden vrienden, buddy’s. Vanuit die klik ontstaan er nieuwe kansen.

Las je deze verhalen al?

Corona maatregelen
We blijven bereikbaar

Volg ons verhaal in je mailbox!